De haiku is ontstaan uit de tanka (zie verder) en nam vanaf de zeventiende eeuw een hoge vlucht dankzij het werk van de Japanse grootmeester Matsuo Basho (1644-1694). Andere grote namen uit de Japanse haikugeschiedenis zijn: Buson, Issa, Shiki en de dichteres Chiyo-ni .
Haiku (vrolijk vers) is een Japanse dichtvorm van ‘één ademtocht lang’. Het is een rijmloos gedicht van ongeveer 17 lettergrepen (of soms wat minder), verdeeld over drie regels van ongeveer 5-7-5 syllaben. De klassieke haikudichter of haijin vertrekt graag van een natuurbeeld en een seizoenwoord of kigo. Hij maakt ook vaak gebruik van een zogeheten snijwoord of kireji om twee contrastgerende elementen binnen het vers te scheiden. In de westerse haikuwereld gebruikt men daarvoor soms een gedachtestreepje.
De haikuïst poogt via een eenvoudige maar suggestieve verwoording één of meer aspecten van de onzegbare werkelijkheid op te roepen. Hij doet dat niet in lyrische ontboezemingen maar via een sober en kernachtig taalgebruik. Men zegt weleens dat de haikudichter de lezer deelachtig wil maken aan een ervaren, waargenomen of ingebeeld ‘poëtisch’ moment dat men het haikumoment noemt. Daarom schrijft hij bij voorkeur in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Een goede haiku kan trouwens ook tot stand komen zonder gebruik te maken van een al dan niet vervoegd werkwoord.
Vaak bevat de haiku een dubbele bodem of een verrassend element. Er wordt van de lezer een creatieve inspanning gevraagd om door te dringen tot de kern van wat de haikudichter bedoelt. Daarom stelt men voor de haiku tweemaal na elkaar te lezen. Een geslaagde haiku laat je met nieuwe ogen kijken naar de dingen binnen en/of buiten jezelf.
Enkele kenmerken van haikupoëzie
Haiku is poëzie, d.i. ‘dichter’, voller, pregnanter dan proza. Van groot belang zijn kernachtigheid, trefzekere expressie, suggestieve zegging enz. Hier geldt dat er meer staat dan er staat: “L’effet dépasse les mots.”
De taalkwaliteit is heel belangrijk: geen gekunstelde, esthetiserende taal, geen overdadig gebruik van adjectieven enz. , maar een taal die getuigt van eenvoud, precieze woordkeuze en creativiteit.
De haiku baadt in een nuchtere, geobjectiveerde taalsfeer. Hij vermijdt de nadruk op subjectieve gevoelens, lyrische ontboezemingen enz. Daarom gaat de haikudichter zuinig om met woordjes als ‘ik’, ‘mijn’ e.d. De aandacht dient in de eerste plaats te gaan naar de objectieve en niet naar de subjectieve werkelijkheid.
Haiku is meer dan 5- 7- 5. Dit drieregelige, rijmloze miniversje gaat uit van een concrete (effectieùf of verbeelde) waarneming en een eenvoudige verwoording van een ervaring of emotie die daarmee gepaard gaat. De haiku probeert de lezer te ‘treffen’ via o.m. een verrassingselement, zoals een ‘pointe’ in de derde regel of een dubbele bodem die zich pas na een zorgvuldige lectuur prijsgeeft.
In wezen verbindt de haiku de lezer met de dichter doordat hij de lezer ertoe brengt op een of andere manier deel te nemen aan de ervaring of emotie die de dichter getroffen heeft. Een haiku lezen is daarom net zoals een haiku dichten in zekere zin een creatief proces.