De kyoka (‘dwaas’, lichtgestemd lied) heeft dezelfde structuur als de tanka, maar is er de meer lichtvoetige variant van. De eerder luchtige, ‘schertsende’ kyoka verhoudt zich tot de meer ‘ernstige’ tanka ongeveer zoals de senryu zich verhoudt tot de haiku. Ook hier is het onderscheid tussen de twee dichtvormen niet altijd duidelijk. Het verschil schuilt grotendeels in de thematiek en de behandeling ervan. De kyoka is de speelse, vrolijke, humoristische, soms wat ‘gekke’ maar tegelijk ook licht ironische, zacht droevige of soms ietwat bittere tegenhanger van de tanka. Vanaf de zeventiende eeuw ontwikkelde de kyoka zich tot een zelfstandige dichtvorm met een eigen traditie.
De kyoka duidt meestal op een scherp observatievermogen en een psychologisch inzicht in de menselijke verhoudingen en omgangsvormen. Hij behelst weliswaar een kritisch-confronterende maar tegelijk ook een mededogende kijk op ons leven in individueel, relationeel en breed-maatschappelijk opzicht.